Zeg het maar – Het praten van uw kind vanaf 4 jaar

Klik hier voor het PDF-bestand van de folder Zeg het maar vanaf 4 jaar (pdf 305kb)

Zeg het maar

Het leren praten van uw kind gaat vaak bijna vanzelf. Soms gaat het niet zo vlot met leren praten. Eén op de vijf kinderen op de basisschool start met een taalachterstand. Die achterstand is moeilijk in te halen en kinderen kunnen daar de rest van hun leven last van hebben. Ze krijgen dan problemen met leren, met uiten van gevoelens, met het maken van contact, enz. In dit boekje vertellen we hoe het praten zich vanaf ongeveer vier jaar verder ontwikkelt.

Het praten van uw kind

Vanaf vier jaar maken kinderen zinnen langer en beter. Spontaan vertellen zij nu verhaaltjes en voeren gesprekjes. Sommige regels van de taal kennen zij nog niet. Toch hebben de meeste kinderen op vijf à zesjarige leeftijd een redelijk goed taalinzicht en maken weinig fouten meer.
Hun gedachtesprongen kunnen verrassend zijn. De relatie tussen taal en denken gaat een grote rol spelen. Je merkt dit aan de vele ‘waarom’- vragen die ze stellen en de redeneringen die zij nu onder woorden kunnen brengen.

Bijvoorbeeld:
Waarom is het ’s nachts donker?
Als ik naar school ga, moet ik wel mijn tas meenemen.

De uitspraak van sommige klanken kan nog moeilijk zijn, bijvoorbeeld de ‘r’. Ook de combinatie van klanken kan lastig zijn, bijvoorbeeld twee wordt tlee, schoen wordt soen.

Het is belangrijk dat u met uw kind praat; spreek de taal waarin u zich het best kunt uitdrukken. Jonge kinderen zijn in staat meer dan één taal tegelijk te leren. De manier die gekozen wordt om meer dan één taal aan te bieden, kan per gezin verschillen. Het maakt niet uit welke taal u spreekt met uw kind. De taalontwikkeling verloopt namelijk in elke taal op dezelfde wijze.

Het is wel belangrijk dat uw kind op verschillende manieren met het Nederlands te maken krijgt. U kunt daarbij denken aan: bibliotheek, samen spelen, Sesamstraat kijken.

Taal en spraak bij kinderen van 4 tot 5,5 jaar

Kinderen willen graag op een juiste wijze zinnen maken. Het inzicht in taalregels groeit, maar zo lang dit nog niet volledig is, maakt uw kind ‘fouten’. Bijvoorbeeld:
Waarom hebben wij twee w.c.-jen?
Nu hebben we genoeg gepraten.

Hun woordenschat wordt groter, maar ze kennen nog niet alle woorden. Kinderen kunnen heel creatief zijn in het bedenken van nieuwe woorden. Bijvoorbeeld: spiegelpapier in plaats van zilverpapier.

Het uitspreken van de ‘r’ is nog moeilijk, net als het uitspreken van sommige opeenvolgende klanken, zoals:
Ik heb versikkeluke dost.
weps of wesup in plaats van wesp

In het algemeen geldt: het vierjarige kind is verstaanbaar voor vreemden.

Op deze leeftijd zie je soms dat kinderen over hun woorden gaan struikelen, ook wel haperen genoemd. Dit is normaal in de ontwikkeling van de spraak en de taal. Kinderen beleven veel, ze willen erg veel vertellen, maar kunnen nog moeite hebben alles te verwoorden. Door te haperen wint een kind tijd om na te denken en de juiste woorden te vinden. Ze zoeken naar woorden (eh…., dat is……, eh…..), herhalen een stuk van de zin of verlengen een klank.

Taal en spraak bij kinderen vanaf 5,5 jaar

Rond vijf jaar kent uw kind de taal al goed. Ze maken langere zinnen en koppelen zinnen aan elkaar door het gebruik van bijvoorbeeld ‘en’, ‘maar’ en ‘of’. Het praten gaat steeds vlotter en haperingen komen bijna niet meer voor. Een gesprek voeren lukt prima en uw kind begrijpt alles goed. Verder worden kinderen kritisch op hun eigen taalgebruik. Zij gaan hierop letten
en verbeteren anderen als die iets fout zeggen.

Rond het zesde jaar verschillen de spraak en taal van uw kind niet zoveel meer van de taal van een volwassene, alleen kent u meer woorden. Hierin is de invloed van school duidelijk merkbaar.

De spraakontwikkeling is nu afgerond. De verstaanbaarheid is goed en uw kind kan alle klanken en combinaties van klanken maken.

Tips voor ouders

  1. Sommige woorden of zinnen gaan nog niet altijd goed. Lach er niet om of
    plaag uw kind niet, maar help juist door het woord/de zin in de goede vorm
    te herhalen.
    Let erop wat uw kind zegt, niet hoe hij het zegt.
  2. Neem de tijd om naar uw kind te luisteren en laat merken dat u belangstelling
    hebt door vragen te stellen.
  3. Herhalen en haperen zijn doorgaans voorbijgaande verschijnselen in de
    ontwikkeling van het praten. U kunt uw kind het beste helpen door vragen
    te stellen, maar onderbreek hem/haar niet tijdens het haperen.
    Bijvoorbeeld: en toen, en toen, en toen g-g-gingen ze b-b-bouwen. U kunt
    dan reageren met Wat gingen ze bouwen? Hierdoor krijgt uw kind tijd/rust
    om te antwoorden: Een hele hoge toren!
  4. Doe samen met uw kind spelletjes waarbij u kunt praten, bijvoorbeeld:
    Lotto, Memory, Domino. U kunt de voorwerpen op de plaatjes omschrijven
    of de naam noemen.
  5. Taalspelletjes kun je overal doen, bijvoorbeeld in de auto, op het strand,
    enz.
    ■ Ik ga op reis en neem mee…. of We gaan naar de dierentuin en we zien… of We doen boodschappen en we kopen….
    ■ Wie ben ik? of Wat ben ik? of Waar ben ik? Stel vragen om achter het antwoord te komen.
    ■ Samen rijmspelletjes doen.
  6. Taal wordt leuk. Uw kind geniet van voorlezen, rijmpjes en liedjes. Het is
    goed om vaak hetzelfde te doen. Bovendien maken kinderen door verhalen
    en boeken kennis met een andere wereld dan die waar ze zelf in leven.

Wanneer contact opnemen?

  • Bent u ongerust over het praten van uw kind?
  • Hoort uw kind niet goed?
  • Ontwikkelt uw kind zich langzamer of anders dan in dit boekje beschreven staat?
  • Is uw kind onverstaanbaar voor vreemden?
  • Maakt uw kind niet of moeilijk contact met u of anderen?
  • Heeft uw kind moeite om zijn gedachten onder woorden te brengen?
  • Wilt u adviezen over meertalig opvoeden?

Met wie contact opnemen?

U kunt contact opnemen met de logopedist van het Centrum Jong of Centrum voor Jeugd en Gezin via logopedie@ggdzw.nl.

GGD ZAANSTREEK-WATERLAND
© ggdzw 2017
Telefoon (075) 651 83 40 (Centrum Jong)
(0299) 74 80 04 (Centrum Jeugd en Gezin)
Website www.ggdzw.nl
E-mail jgz@ggdzw.nl